#ESC85 jaar Frits van Oosten: onorthodox en va-banque

In onze lijst van clubkampioenen staan enkele personen liefst vijfmaal genoemd. Eéń van hen is de heer Frits van Oosten. Hij werd voor het eerst clubkampioen van de Eerbeekse Schaakclub in 1985, later volgde daar nog een heuse hattrick bij door in de jaren 1987, 1988 en 1989 driemaal op rij de titel en daarmee de wisselbeker te grijpen. In 1992 volgde tot slot nog ten vijfdemlel een clubkampioenschap voor van Oosten.

Nu heeft (gelukkig voor deze serie) bijna elke schaker wel een eigen verhaal en/of eigen speelstijl. Het is leuk dat er veel lezenswaardige krantenartikelen van onze club bewaard zijn gebleven. Daarin kom je een rijke bloemlezing aan achtergrondverhalen tegen. Ook over deze Frits van Oosten komen we zo wat meer te weten. In november 1985 stond hij als oudste lid en heersend clubkampioen in de krant. Hij wist toen nog niet dat er nog vier clubtitels op zouden volgen.

“Evenals zijn openingen op het schaakbord,  is ook de schaakloopbaan van Frits van Oosten niet alledaags”

Wat boeit is hoe iemand bij een schaakclub terecht komt, hoe iemand een leven lang of juist een korte periode of juist meerdere perioden met ruime intervallen wel of niet actief schakend is bezig geweest, en natuurlijk iemands spelopvatting.

Frits zijn schaakloopbaan begon in Bilthoven met een kampioenschap bij de lokale schaakclub, waarna hij in zijn studententijd in Utrecht verder kon schaken bij een club op hoofdklasse-niveau, dat was het hoogste niveau destijds in ons land. Maar dit moment viel voor van Oosten ook samen met het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940. Er kwam zelfs een vrij abrupt einde aan zijn schaakactiviteiten toen van Oosten met vele anderen de schaakbond de rug toekeerde nadat een NSB-er er aan het roer was gekomen. Van 1945-1950 verbleef van Oosten in Indonesië. Daar werd sporadisch informeel geschaakt met familie-leden, maar speelde hij geen officiële schaakwedstrijd.

Veertig jaar lang raakte hij vervolgens geen schaakstukken meer aan, afgezien van nog geen twee seizoenen in 1967-1968 bij Haagse schaakclub DD. Pas toen van Oosten na een twintigjarig verblijf in het buitenland neerstreek in Eerbeek besloot hij zijn oude liefde weer op te pakken en meldde hij zich aan bij de Eerbeekse Schaakclub. Op 68-jarige, gepensioneerde leeftijd begon hij dus aan zijn tweede (schaak)jeugd. Na wat geschaak tot aan zijn 22e in Utrecht, een los avontuur van anderhalf seizoen op zijn 50e in Den Haag, eigenlijk pas vanaf zijn 67e dus weer een langere periode actief het schaakspel beoefenend in clubverband. (dat is natuurlijk een voordeel van schaken van jong tot oud, je kunt er altijd (opnieuw) mee beginnen!).

In Eerbeek woonachtig kocht de latere clubkampioen een aantal theorie-boekjes over flank-openingen, de Engelse opening, Rëti en andere flankspelen. “Inschuiven via onorthodoxe openingen”, aldus van Oosten.

In zijn tweede seizoen bij de Eerbeekse Schaakclub pakte Frits van Oosten zijn eerste, van naar later dus bleek vijftal clubkampioenschappen. Qua spelopvatting, zo lezen we, is de opening niet zijn favoriete deel. Hij zoekt de uitdaging in het middenspel dat na de opening ontstaat en vindt zijn kracht én uitdaging als positioneel speler in het goed uitvoeren van een opgesteld strategisch plan.

Pas na de eerste paar zetten gaat Frits er dus echt goed voor zitten.  En dan heeft hij tegen veel tegenstanders vaak al een het- refrein-is-Hein moment achter de rug. Want, zo vertelt van Oosten: “veel clubspelers hanteren vrijwel altijd dezelfde, voor hen favoriete opening. En die kennen ze op zich ook erg goed. ” Maar van Oosten is van mening dat de betekenis van de opening wordt overdreven. “Partijen worden nooit rechtstreeks door de opening gewonnen, maar veelal door technische en tactische manoeuvres daarna. Ik tracht voor wat betreft de opening regelmatig iets anders te doen en even uit de pas te lopen”.  Dat gaat natuurlijk niet altijd goed.

“Maar dan denk ik bij mezelf: ach, je kan maar een keer verliezen, en ga er vervolgens weer tegenaan, va-banque spelen.”

Met deze prachtige spelopvatting van een voormalig vijfvoudig clubkampioen in Eerbeek die zowel een inspiratie als troost kan vormen voor de huidige clubschakers, sluiten we deze aflevering van #ESC85 jaar af.

#ESC85jaar “Je sprak iedereen aan met meneer”

Personen die meer dan een halve eeuw lid blijven van dezelfde club, dat is bijzonder en ook vroeger altijd al in het oog springend. In december 1993 stond zo iemand in de krant waarvoor dat gold bij onze Eerbeekse Schaakclub. Geboren Eerbekenaar Henk Derksen was op dat moment 50 jaar clublid.

In zo’n periode maak je natuurlijk van alles mee, maar het meest interessant anno 2021 is terug te lezen hoe Derksen bij de Eerbeekse Schaakclub is beland en hoe het er destijds aan toe ging.

Henk, die in de oorlog als zeventienjarige bij de club kwam, vertelt: “De club kende toen vijftien leden en je kunt rustig stellen dat tachtig procent directeur was. Je sprak iedereen met meneer aan, en ik voelde me een kleine jongen. Maar bang was ik niet”.

Kijkend naar de lijst met clubkampioenen en in de clubarchieven valt op dat van de beste schakers in vroegere jaren vaak alleen de achternaam bekend is. In alle media-uitingen werd steevast alleen de achternaam gebruikt. Een meervoudig clubkampioen als Boomsma, een apotheker, bleef altijd Boomsma, meer dan een voorletter L hebben we er niet van, zelfs niet toen hij een keer uitgenodigd werd een stukje te schrijven voor het toenmalige clubblad ’t Spionnetje. Er onder schreef hij geen voornaam maar louter “Boomsma”. Dit veranderde pas midden jaren ’70 geleidelijk aan toen jeugdspelers en vrouwen zich aandienden. Dan is er in krantenartikelen een tijd een mix tussen spelers die wel met voornaam en spelers die niet bij voornaam worden vermeld. Dat laatste is altijd zo gebleven, maar nu eerder om praktsiche redenen. Van alle huidige clubleden worden zowel voornaam als achternaam in wisselende mate gebruikt in verslaglegging.

De speellocatie was aanvankelijk ook op het kantoor van de Verenigde Papierfabrieken Eerbeek (VPE).

Voor Henk gold: “winnen is leuk, maar schaken doe je ook voor de gezelligheid”. Die ging er wat hem betreft dan ook al een stuk op vooruit toen de speellocatie in het fabriekslokaal verruild werd voor een zaaltje achter toenmalig café Nijk, later Spoorzicht en nu de parkeerplaats naast de Jumbo supermarkt, nabij de stoomtrein spoorovergang. “Bij de papierfabriek kregen we alleen koffie, en wij wilden na afloop ook wel eens wat anders drinken en een beetje biljarten”.

Henk Derksen was van 1958-1960 en van 1963-1974 penningmeester van onze club. Van 1974-1992 verzorgde hij de PR/publiciteit.  Toen hij in 1983 veertig jaar lid was kreeg hij de titel erelid toegekend. Hij schonk de Eerbeekse Schaakclub bij die gelegenheid twee wisselprijzen een houten Koning voor degene die in de competitie het meest gestegen was en een houten Toren voor het hoogst eindigende lid onder de 25 jaar in de seniorencompetitie (zeg maar de witte trui van de Tour de France).

Clubkampioen is Henk Derksen in al die 50 seizoenen nooit geworden, maar daar ligt hij niet wakker van, schrijft de Gelderlander op 6 december 1993. (hetzelfde artikel verscheen op 10 december 1993 tevens in de Apeldoornse Courant). Aan de eerdere opmerking dat winnen leuk is, maar je ook voor de gezelligheid schaakt en dat dat laatste bij hem op één staat voegde hij daarin een interessante beschouwing toe getuige de volgende tekstpassage.

“Op de donderdagavond zijn we vrienden, maar voor de rest van de week groet je elkaar als geode bekenden. Wij komen niet bij elkaar over de vloer, en dat is ook goed. Want anders krijg je groepjesvorming binnen de club, en dat vind ik absoluut verkeerd. Er mag geen standsverschil zijn (hier spreekt een man met ervaring!), en dat gevaar bestaat bij groepjesvorming wel”.